“Ik heb een kopje thee met God gedronken” Deus sive Natura – Dr. Boy van Droffelaar

“Ik heb een kopje thee met God gedronken.” Het was een eenvoudige zin, uitgesproken op de laatste avond na afloop van onze trail, georganiseerd door de Foundation for Natural Leadership, in de prachtige, ongerepte Natuur van Imfelozi in Zuid-Afrika.
Maar in die eenvoud lag een diepte besloten die zich niet gemakkelijk laat reduceren tot woorden. Vijf dagen en nachten hadden we doorgebracht in een landschap dat zich niets aantrekt van menselijke plannen: onder een hemel die zich uitstrekt tot voorbij ons begrip, op aarde die ons draagt zonder ons te kennen, omringd door de geluiden van vogels, insecten en onzichtbare dieren. In die omstandigheden gebeurt er iets met ons. Iets wat zich niet laat afdwingen, maar zich wel aandient wanneer wij ons ervoor openstellen.
In die omstandigheden gebeurt er iets met ons dat moeilijk in woorden te vangen is. Grenzen die wij zo vanzelfsprekend achten, beginnen te vervagen: de scheiding tussen lichaam en omgeving, tussen mens en dier, tussen ik en de kosmos. Een gevoel van verbondenheid
ontstaat, een ervaring van eenheid waarin de natuur niet langer tegenover ons staat, maar zich openbaart als iets waarvan wij zelf een uitdrukking zijn.
Het bewustzijn verruimt, alsof het zichzelf herinnert aan een vergeten oorsprong. Wij denken misschien dat wij de natuur in zijn gegaan, maar in essentie keren wij terug tot datgene waarvan wij nooit gescheiden zijn geweest.
Deze ervaring en de uitspraak van ‘het kopje thee met God’ deed mij denken aan een van de grootste filosofen aller tijden die Nederland heeft voortgebracht: Baruch Spinoza (1632-1677).
De radicale eenvoud van Spinoza
Spinoza’s leven en denken vormen een opmerkelijke combinatie van helderheid en moed. Geboren in1632 in Amsterdam, als zoon in een welvarend, Joods-Portugees immigranten gezin, groeide hij op binnen een religieuze gemeenschap die hem aanvankelijk vormde, maar
uiteindelijk ook verstootte. Vanwege zijn radicale denkbeelden als vrijdenker over God en de Bijbel, die zijn tijd ver vooruit waren, verwierf hij zich al op jonge leeftijd grote naam en faam. Echter, zijn denkbeelden wekte de woede op van de rabbijnen en op 27 juli 1656 werd
de Cherem (banvloek) over hem uitgesproken wegens ‘gruwelijke ketterijen’: alle leden van de gemeenschap kregen de waarschuwing dat ze bij Spinoza uit de buurt moesten blijven en geen zaken met hem mochten doen. Ook zijn familieleden mochten geen contact meer met
hem hebben of hem op wat voor manier dan ook ondersteunen.
Wat volgt is geen verhaal van verzet, maar van stille volharding. Spinoza accepteert zijn lot, leeft sober, verdient zijn brood als lenzenslijper – onder meer voor zijn vriend Christiaan Huygens – en wijdt zich aan zijn denken. In relatieve afzondering ontwikkelt hij een filosofie
die tot op de dag van vandaag haar kracht niet heeft verloren. Hij woont achtereenvolgens in Rijnsburg, Voorburg, en Den Haag. Tobte met zijn gezondheid, maar zijn denken en schrijven zet hij onvermoeibaar door. Hij kende vele bewonderaars in zijn tijd, maar ook daarna, zoals Leibniz, Johan de Witt, Joan van Oldenbarnevelt, Goethe, Nietzsche, Hegel, Jung. Ook Abert Einstein bewonderde hem: ‘Ik geloof in God, de God van Spinoza’. Spinoza overlijdt in 1677 op 44-jarige leeftijd aan een longaandoening.
ETHICA, Spinoza’s meesterwerk
Zijn beroemdste werk ETHICA voltooit Spinoza in 1675 en het verschijnt postuum in 1678. In hoofdstuk 1 van ETHICA valt Spinoza meteen met de deur in huis. Hij formuleert een gedachte die zowel eenvoudig als ontwrichtend is: Deus sive Natura (God, ofwel de Natuur)
Met deze uitspraak doorbreekt Spinoza een eeuwenoude scheiding. God is niet langer een transcendente, buiten de wereld staande schepper. God is de wereld – niet als verzameling van dingen, maar als de oneindige werkelijkheid waarvan alles deel uitmaakt. Alles wat bestaat, is een uitdrukking van die ene substantie.
God als alomtegenwoordige natuurkracht
Spinoza laat God dus samenvallen met de Natuur, waarbij hij met Natuur niet alleen alle bomen, planten en dieren bedoelt, maar ook de mens zelf, de aarde, alle planeten, dus de gehele kosmos en alle Natuurwetten die hieraan ten grondslag liggen. Volgens Spinoza is God geen wijze, morele of majesteitelijke schepper van de wereld; Nee, zegt hij, God is alom aanwezig als actieve natuurkracht, die de oorzaak in zich zelve is (causa sui). Hij is aanwezig in alles, en dat is hij altijd geweest en zal hij altijd zijn. Kortom, deze God is niet ver weg, maar alom aanwezig. Niet als een toeschouwer, maar als een actieve, scheppende kracht. Wat betekent dit voor ons? Het betekent dat wij geen afgescheiden wezens zijn die in een vreemde wereld leven. Wij zijn geen buitenstaanders. Wij zijn geen toevallige passanten. Wij zijn deel van de Natuur – en daarmee deel van God. Spinoza noemt ons ‘modi’: uitdrukkingen van de ene substantie.
De wildernis als ervaring van Spinoza’s inzicht
Zou het nu zo kunnen zijn, zo vraag ik me af, dat deze aanwezigheid van de God van Spinoza gevoeld wordt als we in de wildernis de eenheid ervaren waarin de Natuur niet langer tegenover ons staat, maar zich openbaart als iets waarvan wij zelf een uitdrukking zijn? Dat
we daar dus een kopje thee met de God van Spinoza hebben gedronken? Misschien wel, want wanneer wij op trail gaan in de wildernis, wanneer wij onze voeten plaatsen op aarde die niet door ons is gevormd maar die ons draagt zonder bedoeling of voorkeur, betreden wij niet slechts een landschap, maar een werkelijkheid die ons voorafgaat en ons omvat. Wij denken misschien dat wij de Natuur ingaan, maar in essentie keren wij terug tot datgene waarvan wij nooit gescheiden zijn geweest.
Als Baruch Spinoza met ons mee zou zijn geweest op trail zou hij ons misschien wel zachtjes, maar met grote helderheid, herinneren aan een eenvoudig en tegelijk allesomvattend inzicht: wij zijn modi, uitdrukkingen van één en dezelfde substantie: Deus sive Natura. Dat betekent niet dat wij verdwijnen in de Natuur, maar dat wij begrijpen dat wij er altijd al een vorm van waren. Zoals de golf geen ander wezen is dan de zee, zo zijn wij geen ander wezen dan de Natuur zelf, die zich in ons op een bepaalde manier uitdrukt.
Wij zijn dus aanwezig — als deel van een groter geheel dat zichzelf voortbrengt en in stand houdt. Spinoza noemt datgene wat zichzelf voortbrengt ‘causa sui’. God ofwel de Natuur heeft geen oorzaak buiten zichzelf nodig. Zij is haar eigen grond. En omdat wij deel uitmaken
van die Natuur, zijn wij uitdrukkingen van dezelfde kracht die alles voortbrengt.
Dit inzicht kan ons bevrijden van een diepgewortelde misvatting: dat wij tegenover de Natuur
staan, dat wij haar moeten beheersen of vrezen. Als we op trail zijn merken wij aan den lijve hoe weinig van die houding overblijft. Wij
kunnen de regen niet bevelen te stoppen, wij kunnen de nacht niet tegenhouden. En toch ervaren wij hierin geen vernedering, maar eerder een vorm van rust. Want wat wij verliezen, is de illusie van controle. En wat wij daarvoor in de plaats krijgen, is het besef van deelname,
van verbondenheid. Wanneer wij met Spinoza langs een rivier zouden lopen en het licht zien breken op het water, wanneer wij een vogel horen roepen in de verte, dan gebeurt er iets subtiels. Niet omdat deze dingen speciaal voor ons bestaan, maar omdat wij beginnen te ervaren zonder de tussenkomst van onze gewoonte om alles te benoemen en te bezitten. Wij laten de dingen zijn wat zij zijn.
En in dat laten, dat loslaten, zegt Spinoza, gebeurt iets essentieels, we ervaren de bron van alles van waaruit zich een verschuiving in ons ontvouwt.
Wij voelen ons misschien klein in deze uitgestrektheid. Maar Spinoza zou ons corrigeren: klein en groot zijn slechts betrekkelijke begrippen. Net als goed en kwaad. In werkelijkheid zijn wij even noodzakelijk als de boom, als de steen, als de wolk die voorbijtrekt. Alles wat is
volgt uit de Natuur van God met dezelfde onvermijdelijkheid. Wij zijn niet minder, maar ook niet meer.
Natura naturans en natura naturata
Al lopend zou Spinoza ons ook vertellen dat hij een onderscheid maakt tussen ‘natura naturans’ en ‘natura naturata’. De eerste is de natuur als voortbrengende kracht; de tweede is de natuur als datgene wat voortgebracht is. Op onze trail zien wij beide, al benoemen wij het
misschien niet zo. Wanneer wij de groei van planten zien, de beweging van dieren, de voortdurende verandering van licht en schaduw, zien wij ‘natura naturata’: de vormen waarin de natuur zich uitdrukt. Maar wanneer wij ons laten raken door het gevoel dat alles in beweging is, dat alles voortkomt uit één en dezelfde bron, dan ervaren wij een glimp van ‘natura naturans’: de levende, scheppende kracht zelf, waarin wij opgenomen zijn. Wanneer dat gebeurt, ontstaat een gevoel van eenheid dat moeilijk te beschrijven is, maar diep herkenbaar is voor wie het heeft ervaren.
Parallellen naar het heden
Het was Immanuel Kant die stelde dat wij het ‘Ding an sich’ – het ding op zichzelf – nooit kunnen kennen. Wij ervaren slechts hoe de werkelijkheid aan ons verschijnt; hoe zij werkelijk is, blijft volgens hem verborgen achter een ondoordringbare sluier. In zekere zin zou men
kunnen zeggen dat hij hiermee, zij het impliciet, raakt aan wat Baruch Spinoza aanduidt als ‘natura naturans’: de scheppende, voortbrengende grond van alles wat is.
Ook in onze tijd blijkt hoe vooruitziend dit denken was. Wat Spinoza “denken” noemt, laat zich vandaag de dag verstaan als bewustzijn. In dat licht biedt het Analytisch Idealisme een hedendaagse filosofische en wetenschappelijke benadering, waarin bewustzijn niet langer
wordt gezien als een bijproduct van materie, maar als de fundamentele realiteit zelf. Alle fysieke verschijnselen verschijnen dan als manifestaties van een universeel bewustzijn.
De momenten van diepe ervaring in de wildernis – die plotselinge glimp van eenheid, die intensiteit van aanwezigheid – kunnen binnen dit kader worden begrepen als een tijdelijke doorbreking van de grenzen, die ons individuele bewustzijn normaal gesproken scheiden van
dat grotere geheel, als een golf in de zee. In zulke ogenblikken lijkt het alsof wij, al is het maar even, in aanraking komen met wat Spinoza ‘natura naturans’ noemt: de levende, scheppende kracht waarin alles geworteld is.
Ontmoeting als herkenning
Terug naar Spinoza zelf. Soms ontmoeten wij in de wildernis een dier, zoals een Olifant, een Neushoorn of en Antilope. Wij kijken, en het dier kijkt terug. Er is geen taal, geen afspraak, geen gedeeld plan. En toch is er een moment van herkenning. Een blik. Een stilte.
Voor Spinoza is dat geen mysterie. Het is de meest natuurlijke zaak van de wereld. Want als alles wat bestaat deel is van dezelfde substantie, dan is elke ontmoeting in zekere zin een ontmoeting met onszelf. Niet als individu, maar als uitdrukking van het zelfde leven.
We gaan een paar uur alleen, in stilte, zitten op een mooi plek uitkijkend over de rivier. Wij zien, luisteren, voelen. De wind beweegt door de bladeren, en zonder dat wij het precies kunnen aanwijzen, verandert onze verhouding tot wat ons omringt. Wij zijn niet langer
toeschouwer. Maar wij zijn ook niet opgelost. Wij zijn aanwezig — als deel van een groter geheel dat zichzelf voortbrengt en in stand houdt.
Baruch fluistert ons dan in: dit is geen vluchtige emotie, maar een glimp van inzicht — een moment waarin wij de samenhang van het geheel niet alleen begrijpen, maar ook voelen. We zijn een vorm waarin de Natuur zichzelf ervaart.
De terugkeer
Elke trail eindigt. Wij keren terug naar de wereld van afspraken, verplichtingen en woorden. Maar iets is veranderd. Niet omdat wij iets hebben toegevoegd, maar omdat wij iets hebben losgelaten. Wij hebben ervaren — al was het maar even — dat wij niet tegenover de natuur staan, maar erin. Dat wij geen toeschouwers zijn, maar deelnemers. Dat wat wij “ik” noemen geen eiland is, maar een golf in een eindeloze zee. Wij hebben even gezien dat er een andere manier van zijn mogelijk is. Een manier die minder draait om controle, en meer om verbondenheid.
De wildernis als leraar
De verhalen van mensen die de wildernis intrekken, vertonen een opmerkelijke overeenkomst. Zij spreken van herboren worden, van het hervinden van hun diepste waarden, van een stilte die hen zuivert en sterkt. Ze leren luisteren, werkelijk luisteren – naar de Natuur,
naar de ander, maar ook naar zichzelf. Zij ontdekken een vorm van aanwezigheid die in het dagelijks leven vaak verloren gaat.
Wat zij ervaren, is geen vlucht uit de werkelijkheid, maar een verdieping ervan.
Zo blijkt de wildernis een leraar van formaat. Ze leert ons dat wij niet gescheiden zijn van de wereld, maar dat wij er middenin staan, ingebed en verbonden. Ze confronteert ons met onze illusies van afzondering en controle, en opent ons voor een werkelijkheid waarin alles met alles verweven is. Wie zich werkelijk laat raken door de Natuur, ontdekt dat het leven geen toevallige samenloop van blinde krachten is, maar een betekenisvol geheel waarin wij thuis zijn. Of, naar de woorden van Spinoza: wij zijn deel van een noodzakelijk, onvermijdelijk geheel.
Slot: de eenvoud van wat altijd al was
Als Spinoza naast ons had gelopen, zou hij waarschijnlijk niet veel hebben gezegd. Hij zou geen verheven taal hebben gebruikt, geen groot gebaar hebben gemaakt. Hij zou eenvoudig hebben gewezen op wat er altijd al was. En misschien zouden wij dan begrijpen dat die uitspraak – “ik heb een kopje thee met God gedronken” – geen overdrijving is, maar een poging om iets te benoemen dat zich eigenlijk aan taal onttrekt. Dat wij, in al onze vormen en gedachten, deel zijn van één en dezelfde werkelijkheid. Dat wij nooit werkelijk gescheiden zijn geweest. Dat God, oftewel de Natuur, niet ergens anders is.
Maar hier.
Altijd.
En in alles.
